Statuten en huishoudelijk reglementen PvdA




Toelichting op de statuten

In de statuten en reglementen wordt veelvuldig "hij" gebruikt als gedoeld wordt op een lid van de partij.
1. Algemene opmerkingen
In de statuten worden de hoofdzaken geregeld van de vereniging Partij van de Arbeid.
De naam, de plaats van vestiging, het doel, de middelen. Hoe word je lid, maar ook: hoe komt er een einde aan het
lidmaatschap, eventueel in de vorm van een royement. De belangrijkste onderdelen van de organisatie zijn geregeld in
de statuten. Deze onderdelen worden in de tekst aangeduid met de term "geleding".
In de partij is het congres het hoogste orgaan. Als het echter gaat om plaatselijke politiek is de afdelingsvergadering het
hoogste orgaan.

Overal zijn besturen die er voor moeten zorgen dat activiteiten gebeuren, afspraken worden nagekomen enzovoort. Het
partijbestuur, het landelijk bestuur dat wordt gekozen door het congres, bestuurt de partij als geheel. Als er een knoop
moet worden doorgehakt, en de statuten en reglementen geven geen houvast, dan moet het partijbestuur een uitweg
bepalen. Behalve de geledingen binnen de partij, zijn de vertegenwoordigers namens de partij in het publieke domein
van groot belang. Een politieke partij is immers een vereniging die mensen levert voor politieke en bestuurlijke functies,
hen een programma meegeeft en hen bijstaat als klankbord en tegelijk controleert of ze het wel goed doen.
Al dat soort zaken wordt in hoofdlijnen behandeld in de statuten. Een verdere uitwerking heeft vervolgens
plaatsgevonden in de reglementen. Deze reglementen zijn opgedeeld in 10 delen.

Een algemeen deel (deel 1) regelt zaken die algemeen van toepassing zijn in de vereniging, zoals de wijze van
vergaderen en het nemen van beslissingen. De daarop volgende delen gaan over de gang van zaken in afdelingen (deel
2) en de gewesten (deel 3). Deel 4 gaat over de landelijke geledingen, zoals congres, partijbestuur en presidium. Zes
delen gaan over het deelnemen aan het openbaar bestuur op lokaal, provinciaal, landelijk en Europees niveau. In ieder
deel van die zes delen is de gang van zaken geregeld rond de kandidaatstelling voor de verkiezingen van het betreffend
vertegenwoordigd lichaam en tevens - voor zover van toepassing - het maken van een verkiezingsprogramma en
spelregels rond het deelnemen van de partij aan het dagelijks bestuur.
Bij de inhoud en opzet van de statuten en reglementen gelden de volgende uitgangspunten:
− Het verenigingsrecht, zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, is leidend.
− Binnen de vereniging dient zorgvuldig omgegaan te worden met de rechten van de individuele leden.
− Democratie vergt een goede balans tussen macht en tegenmacht en het zo veel mogelijk voorkomen dat belangen en
posities conflicteren.
− Bestaande gebruiken en terminologie worden alleen gewijzigd als dat een te motiveren verbetering oplevert, of als het
een uitdrukkelijke wens is van het partijbestuur als initiatiefnemer of van het congres.
− De gang van zaken dient bij vergelijkbare procedures (bijvoorbeeld bij kandidaatstellingen) en bij verschillende
geledingen van de partij overeenkomstig te zijn. Als van een dergelijke eenvormigheid afgeweken wordt, dan dient deze
uitzondering gemotiveerd te worden.
− Statuten en reglementen zijn er vooral om de gang van zaken in de partij te ondersteunen en conflicten te voorkomen.
Als er binnen de partij spanning optreedt, moeten teksten direct duidelijkheid bieden.
− Natuurlijk worden voortdurend allerlei beslissingen genomen als uitvloeisel of interpretatie van de reglementen, maar
de statuten en reglementen behoren zodanig te zijn dat in de partij verder geen aanvullende spelregels nodig zijn.
− Het is belangrijk dat de statuten en reglementen leesbaar zijn, zo concreet mogelijk en niet voor meer interpretaties
vatbaar.

Als een rode draad loopt door de statuten en reglementen dat voor elk partijniveau er een bevoegde vergadering
(afdelingsvergadering, gewestelijke vergadering, congres) is en een bestuur. Het bestuur wordt gekozen en ontslagen
door de bevoegde vergadering en heeft tot taak de aangelegenheden van een geleding uit te voeren of te doen uitvoeren.
In de praktijk komt het vaak voor dat de in functie gekozen leden van een bestuur het "dagelijks bestuur" vormen.
Nergens in de statuten of reglementen is sprake van een dagelijks bestuur, hetgeen impliceert dat dit slechts een
informele betekenis heeft. Taken en bevoegdheden worden alleen toegekend aan het bestuur of aan omschreven
bestuursleden (voorzitter, secretaris, penningmeester). In de statuten en reglementen wordt verder alleen gesproken over
fracties en soms over de fractievoorzitter en fractiesecretaris. Het optreden van een bestuur binnen een fractie is een
aangelegenheid van de fractie zelf en heeft in de partij verder geen betekenis.

2. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. De naam en de zetel
Dit artikel behandelt de naam van de vereniging en het recht om de naam te voeren.

Artikel 2. Het doel
Dit artikel behandelt het doel van de Partij van de Arbeid.

Artikel 3. De middelen
Dit artikel behandelt de middelen van de Partij van de Arbeid om het doel te bereiken.

Hoofdstuk 2. De leden
Artikel 4. Het lidmaatschap
Dit artikel behandelt het lidmaatschap van de partij.
In het eerste deel van dit artikel wordt aangegeven wie lid kan zijn en hoe men lid wordt. Het kent aan het partijbestuur
de bevoegdheid toe leden toe te laten en uit te schrijven. Tevens staat omschreven wat het lidmaatschap inhoudt.
In lid 5 wordt de mogelijkheid geopend iemand als lid te weigeren. Er is een veelheid van redenen waarom het
partijbestuur een lid kan weigeren. Dat varieert van het herhaaldelijk afgevoerd zijn wegens contributieschuld tot aan
het zitting hebben in een gemeenteraad voor een andere partij terwijl de partij daarin ook vertegenwoordigd is. Op een
dergelijke weigering is geen beroep mogelijk. Dat ontslaat het partijbestuur er niet van een dergelijke weigering in de
richting van betrokkene te motiveren. De uitwerking hiervan treft men aan in deel 1 van de reglementen.
In het tweede deel van het artikel gaat het om het opzeggen of verliezen van het lidmaatschap. Omdat het daarbij ook
gaat om het door de partij uitsluiten van een lid, zijn hierbij waarborgen opgenomen om dit zorgvuldig te doen qua
argumentatie en procedure.
Een lastige kwestie betreft het uitsluiten van een lid als deze actief wordt of blijkt te zijn in een andere partij (lid 7). Als
zo iemand op een kandidatenlijst komt te staan of lid is van het bestuur van een andere partij, dan is overduidelijk dat
iemand feitelijk kiest voor die andere partij. Ook andere activiteiten in of voor een andere partij verdragen zich echter
niet met het lidmaatschap van de partij. Daarbij belanden we in een overgangsgebied, waarbij het partijbestuur een
oordeel moet geven over concrete gevallen. Het geven van een stemadvies van een partijlid om op een andere partij te
stemmen is meestal onvoldoende grond voor royement, maar het optreden als
woordvoerder van een andere partij wel. Overigens is de ervaring dat een betrokkene die wordt aangesproken op een
dergelijke conflicterende rol, zelf de conclusie trekt dat hij geen lid meer kan zijn van de partij: de onheldere situatie
werkt immers twee kanten op. Andersom kunnen zich situaties voordoen, waarbij het partijbestuur tot de conclusie
komt dat iemand die op een kandidatenlijst staat van een andere partij wel lid kan worden van de partij, bijvoorbeeld na
het publiekelijk afstand nemen van die andere partij en het neerleggen van een ingenomen zetel of het verklaren af te
zien van de functie waarvoor men kandidaat was gesteld.
Een soms voorkomende situatie is dat bij het vormen van een college van B&W door andere deelnemende partijen (met
name lokale groeperingen) een lid van de partij wordt voorgedragen. Dat hoeft geen bezwaar te zijn als de fractie van de
partij of het samenwerkingsverband waarin de partij deelneemt daar geen bezwaar tegen heeft. In verband met
dergelijke situaties is aan het partijbestuur de ruimte gelaten concrete situaties op eigen merites te beoordelen. Indien de
omstandigheden zich echter wijzigen, op grond waarvan het partijbestuur die uitzondering heeft toegestaan, dan moet
het partijbestuur een nieuwe beslissing nemen (lid 8).
Er is dus geen algemeen verbod op het zogenoemde dubbellidmaatschap. Alle bepalingen in dit artikel zijn er op gericht
te voorkomen dat niet helder is namens welke partij iemand optreedt, indien deze twee of meer partijlidmaatschappen
heeft. Als iemand echter in en namens een partij een terughoudende rol speelt, is er geen overwegend bezwaar dat deze
twee of meer lidmaatschappen combineert.

Hoofdstuk 3. Geledingen van de partij
Artikel 5. Het congres
Dit artikel behandelt het congres, het hoogste orgaan in de partij.
In het eerste gedeelte wordt aangegeven dat het congres het hoogste gezag is in de partij en worden de taken opgesomd.
De opsomming van taken is onderverdeeld in een aantal dat onverbrekelijk aan het congres is opgedragen en een aantal
taken die het congres kan uitoefenen.
Het tweede gedeelte van het artikel betreft de bijeenroeping van het congres en het bepalen van de agenda. Daarin
wordt aandacht besteed aan de rollen en taken van partijbestuur, presidium en afgevaardigden. De gebruikelijke gang
van zaken bij het bepalen van de agenda en de verdere afwikkeling daarvan is als volgt:
1. Het partijbestuur schrijft een congres uit en stelt vast welke onderwerpen tijdens dat congres behandeld moeten
worden. Het kan ook zijn dat onderwerpen geagendeerd moeten worden of zelfs een congres bijeengeroepen moet
worden, omdat voldoende afdelingen daar om vragen of omdat de Verenigingsraad dat opdraagt aan het partijbestuur.
2. Het partijbestuur overlegt met het presidium over de agenda. Het presidium maakt een conceptagenda waarop de
onderwerpen staan die door het partijbestuur zijn aangegeven of die op andere manier zijn aangereikt of eerder
afgesproken zijn. Verder maakt het presidium per agendapunt een afhandelingsvoorstel over de wijze waarop een
agendapunt wordt ingericht.
3. Het congres stelt (aan het begin van de zitting) de agenda vast, alsmede de voorstellen van het presidium over de
afhandeling.
4. Het presidium zorgt ervoor dat de agenda wordt afgehandeld zoals afgesproken.
Het derde gedeelte behandelt wie er deelnemen aan het congres en wie verder worden uitgenodigd tot bijwoning van het
congres. Weliswaar is het congres een vergadering van alle leden van de partij, maar bij een aantal aangewezen
onderwerpen wordt de feitelijke deelname ingeperkt tot afgevaardigden en de leden van het partijbestuur. Als het gaat
om inhoudelijke onderwerpen, kunnen alle aanwezige leden van de partij deelnemen aan de beraadslaging en de
stemming. De leden van de Kamerfracties en van de delegatie in het Europees Parlement en eventuele bewindspersonen
nemen bij alle onderwerpen deel met raadgevende stem, maar kunnen niet meestemmen.
Afgevaardigden nemen deel zonder een gebonden stemopdracht. (Ook wordt wel gesproken van het deelnemen zonder
"last", een ouderwets begrip dat aangeeft dat een afgevaardigde niet verplicht kan worden zich te houden aan een
uitspraak van de geleding die hij vertegenwoordigt.) Daarmee wordt bevorderd dat er sprake is van een uitwisseling van
argumenten en standpunten. Wat niet wegneemt dat een afgevaardigde die anders stemt dan wat de geleding graag zou
hebben gezien, zich daarover dient te verantwoorden. Uiteraard zal een uitspraak van een afdeling over een
aangelegenheid op het congres voor de afgevaardigde als zwaarwegend moeten worden opgevat en als hij tot een andere
beslissing komt, zal hij dat desgevraagd moeten kunnen motiveren naar de afdeling. Een dergelijke bepaling is ook in
andere artikelen opgenomen waarin sprake is van afgevaardigden.
Het vierde gedeelte bevat nog enkele resterende bepalingen ten aanzien van het congres. Daarin wordt de mogelijkheid
geboden dat een voorbereidende congreszitting wordt belegd waar één of meer agendapunten worden besproken. Mits
dit een bijeenkomst is waarvoor alle congresafgevaardigden zijn uitgenodigd (dat maakt het tot een voorbereidend deel
van het congres), kan daar een afhandelingsvoorstel van de feitelijke congreszitting worden bepaald. Het congres kan
daar uiteraard zelf nog wel wijziging in aanbrengen. Een dergelijk voorbereidend deel van het congres kan plaatsvinden
een dag voorafgaand aan het congres of op dezelfde dag, maar ook bijvoorbeeld een week eerder om de uitkomsten
goed te kunnen verwerken. Op deze wijze kan bij een gecompliceerd onderwerp de beraadslaging tijdens het congres
zich richten op de hoofdzaken en de politiek gevoelige onderwerpen, terwijl in het voorbereidend congres recht is
gedaan aan andere onderwerpen die besproken dienen te worden en waarover een beslissing genomen moet worden.

Artikel 6. De afdeling
Afdelingen zijn een essentiële schakel in de partij om leden de gelegenheid te geven deel te nemen in de activiteiten van
de partij. Dat betreft zowel deelname in de vereniging als de deelname aan lokale politiek. Dat betekent dat in principe
alle leden van de partij ingedeeld moeten zijn bij een afdeling en dat er voldoende vertrouwen moet bestaan dat een
afdeling ook daadwerkelijk functioneert en niet alleen op papier bestaat.
In verband hiermee is in de statuten een getalscriterium opgenomen ten aanzien van de minimale omvang van een
afdeling (25 leden), al bestaat de mogelijkheid dat het partijbestuur dispensatie verleent aan afdelingen met minder
leden, zij het telkens voor een bepaalde periode.
Mede door de introductie van dit getalscriterium is het noodzakelijk regels te stellen voor afdelingen die meer van één
gemeente omvatten. Meer dan eerder het geval is geweest, zullen dergelijke afdelingen mogelijk besluiten te werken
met onderafdelingen om een geschikte vorm te vinden voor deelname aan de lokale politiek. De mogelijkheid bestaat
ook dat in één gemeente meer afdelingen bestaan. Dat vloeit voort uit de aanwezigheid van democratisch gelegitimeerd
openbaar bestuur voor dergelijke delen van een gemeente. Tevens bestaat de mogelijkheid leden die in het buitenland
verblijven in te delen bij in het buitenland gevestigde afdelingen.
Sommige leden die in het buitenland verblijven zijn niet in te delen bij een afdeling. Ook zijn er leden die om
zwaarwegende redenen wordt toegestaan om geen deel uit te maken van de afdeling waartoe zij gerekend zouden
moeten worden. Leden die niet tot een afdeling behoren worden "algemene leden" genoemd en kunnen geen
ledenrechten uitoefenen in en via een afdeling.
De leden van het bestuur van een afdeling worden als regel voor twee jaar gekozen en zijn daarna terstond herkiesbaar.
Deze periode van twee jaar is gekozen, omdat met name de voorbereidingen voor gemeenteraadsverkiezingen een
periode van ongeveer anderhalf jaar bedragen en het verstandig is als het bestuur dan niet tussentijds van samenstelling
wijzigt. De afdelingsvergadering kan besluiten, veelal zal dat gebeuren op voorstel van het bestuur, om leden van het
bestuur te kiezen voor vier jaar, waarbij tweejaarlijks verkiezingen voor leden voor het bestuur worden gehouden en
telkens een deel aftredend is. In dat geval wordt gewerkt met een rooster van aftreden, waarbij telkens ongeveer de helft
van het bestuur aftredend is.

Artikel 7. Het gewest
Het gewest is de benaming voor de partijgeleding op het niveau van de provincies. De politieke taken van een gewest
richten zich zowel op provinciale politiek als op het bestuur van waterschappen. In dat laatste geval moet er rekening
mee worden gehouden dat de grenzen van een gewest en van de waterschappen niet altijd mooi samenvallen, zodat in
de reglementen bepalingen zijn opgenomen om dat verschil op te lossen.
Het gewest heeft geen eigenstandige taken binnen de vereniging, anders dan om het gewest zelf goed te laten draaien.
Dat neemt niet weg dat het gewest als een geleding waarin de afdelingen in één provincie verzameld zijn, een
coördinerende en stimulerende rol kan spelen in de partijorganisatie. Hoewel een gewestelijk bestuur daarover in de
praktijk verantwoording schuldig is aan de gewestelijke vergadering, opereert het gewest en het gewestelijk bestuur
daarbij binnen de verantwoordelijkheid van het partijbestuur.
De leden van het bestuur van een gewest worden als regel voor twee jaar gekozen en zijn daarna terstond herkiesbaar.
Deze periode van twee jaar is gekozen, omdat met name de voorbereidingen voor verkiezingen van Provinciale Staten
een periode van ongeveer anderhalf jaar bedragen en het verstandig is als het bestuur dan niet tussentijds van
samenstelling wijzigt. De gewestelijke vergadering kan besluiten, veelal zal dat gebeuren op voorstel van het bestuur,
om leden van het bestuur te kiezen voor vier jaar, waarbij tweejaarlijks verkiezingen voor leden van het bestuur
worden gehouden.en telkens een deel aftredend is. In dat geval wordt gewerkt met een rooster van aftreden, waarbij
telkens ongeveer de helft van het bestuur aftredend is.

Artikel 8. De Politieke Ledenraad
De Politieke Ledenraad is bedoeld om, gevraagd en ongevraagd, advies te geven aan het partijbestuur, de politiek leider,
de fracties in Tweede Kamer en Eerste Kamer, alsmede de delegatie in het Europees Parlement over de uitvoering van
de programma´s en de politieke koers. Daarmee is de vergadering van de Politieke Ledenraad voor dergelijke
onderwerpen een soort minicongres. Met dit verschil dat over dergelijke onderwerpen geen besluiten kunnen worden
genomen, maar slechts adviezen kunnen worden gegeven.
Het aantal afgevaardigden is kleiner dan bij het congres. Mede om te bevorderen dat het niveau van de gewesten
voldoende betrokkenheid heeft bij de politieke taken van de partij en om te bevorderen dat een relatie wordt gelegd
tussen provinciale politiek en de aangelegenheden in de Politieke Ledenraad, mogen ook de gewesten elk een
afgevaardigde sturen. Uit de afdelingen is het aantal afgevaardigden beperkt door alleen aan de grotere afdelingen een
eigen afgevaardigde toe te kennen. De andere afdelingen kunnen zich regionaal bundelen en bij voldoende omvang een
gemeenschappelijke afgevaardigde sturen.
Bij vrijwel alle onderwerpen die op een Politieke Ledenraad aan de orde zijn, kunnen alle leden van de partij deelnemen
aan de beraadslaging. Het recht om voorstellen (inclusief mendementen) en moties voor te leggen, is echter beperkt tot
de afgevaardigden en de geledingen die ze vertegenwoordigen, het partijbestuur en de Jonge Socialisten,
neveninstellingen en de door het partijbestuur erkende platforms en netwerken.

Artikel 9. De Verenigingsraad
De Verenigingsraad is de belangrijkste gesprekspartner voor het partijbestuur over organisatorische en financiële
aangelegenheden. Daarmee wordt het congres ontlast dat - zeker nu alle leden kunnen deelnemen bij de inhoudelijke
onderwerpen - zich daardoor meer kan richten op de politieke inhoud en de politieke strategie. De afgevaardigden in de
Verenigingsraad zijn afkomstig uit de besturen van afdelingen en gewesten, omdat bij hen directe ervaring en
betrokkenheid bestaat bij de onderwerpen die worden behandeld. Het vergroot ook het draagvlak voor de uitvoering van
wat er in de Verenigingsraad wordt besproken en besloten Naast de afgevaardigden hebben de leden van het
partijbestuur toegang tot de vergaderingen, die besloten zijn.
De vergaderingen worden geleid door het presidium.
Anderen kunnen met toestemming van de Verenigingsraad de vergadering bijwonen en mogen het woord voeren. Het
gaat daarbij in de praktijk vooral om medewerkers van het partijbureau die de leden van het partijbestuur assisteren.
Omdat de Verenigingsraad voor een aantal organisatorische en financiële kwesties de besluiten neemt of dient in te
stemmen met bepaalde besluiten van het partijbestuur, is een bepaling opgenomen dat de besluiten openbaar zijn, tenzij
de vergadering of het partijbestuur besluit tot vertrouwelijkheid.

Artikel 10. Het partijbestuur
Het partijbestuur bestuurt de partij, maar fungeert in de praktijk als het hoogste orgaan van de partij tussen de zittingen
van het congres in. Het partijbestuur bestaat uit 11 leden, waarvan er 4 in functie worden gekozen. Bij de verkiezing van
de voorzitter wordt een ledenraadpleging gehouden, mits er minstens twee geschikte kandidaten zijn die voldoende
worden ondersteund. Leden van het partijbestuur worden gekozen voor een periode van 4 jaar, waarbij telkens ongeveer
de helft elke twee jaar aftreedt.

Artikel 11. Het presidium
Het presidium draagt zorg voor onafhankelijk voorzitterschap van het congres, de Politieke Ledenraad en de
Verenigingsraad en is verantwoordelijk voor een goed verloop van de vergadering.
Tevens heeft het presidium een belangrijke taak bij de voorbereiding van deze vergaderingen. Het stelt de agenda op, op
grond van de onderwerpen die door het partijbestuur worden aangereikt of waarom vanuit de partij is gevraagd en het
kan voorstellen doen over de wijze van afhandeling van agendapunten.

Artikel 12. De beroepscommissie
De beroepscommissie is een onafhankelijk orgaan dat in gevallen die in statuten en reglement zijn omschreven, een
uitspraak doet in een geschil. Een dergelijke uitspraak is bindend. De beroepscommissie telt 5 leden. Daarmee wordt
bewerkstelligd dat als een lid van de beroepscommissie op een of andere wijze bij een uitspraak verbonden is deze niet
betrokken hoeft te worden bij de voorbereiding en het doen van een dergelijke uitspraak.
Ook is het niet bezwaarlijk als er enige tijd sprake is van een vacature. Mocht overigens het aantal leden van de
beroepscommissie op enig moment minder dan 3 zijn, dan zorgt het partijbestuur voor een tijdelijke aanvulling.

Artikel 13. De politiek leider
De politiek leider is het boegbeeld van de partij. In dit artikel wordt geregeld hoe een politiek leider wordt aangewezen.
De politiek leider wordt gelijkgesteld aan de (beoogd) lijsttrekker bij de Tweede Kamerverkiezingen. De positie van
politiek leider kan alleen effectief worden bekleed door iemand die lid is van de Tweede Kamerfractie (in de functie van
fractievoorzitter) of lid is van een kabinet waarin de partij deelneemt (als minister). Als de politiek leider niet in een
dergelijke functie optreedt, is het niet goed mogelijk op te treden als politiek leider.
Het is mogelijk dat een politiek leider zijn positie opgeeft of dat een congres aan de politiek leider deze rol ontneemt. In
een dergelijke situatie dient het partijbestuur te beoordelen hoe in de opvolging het beste voorzien kan worden (wat niet
betekent dat het partijbestuur de opvolger aanwijst!). Het hangt zo sterk af van de omstandigheden van dat moment en
de reden waarom de politiek leider is teruggetreden, dat daarvoor moeilijk vaste regels zijn te formuleren die in de
statuten opgenomen kunnen worden.
Een vergelijkbare rol in de lokale politiek of de provinciale politiek is niet in de statuten of reglementen geregeld.
Behalve dat op lokaal of provinciaal niveau de betekenis van een politiek leider minder groot is, verschillen de
omstandigheden tussen de afdelingen en provincies nogal. Hiervoor is geen eensluidende gedragslijn te formuleren.

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 14. Vertegenwoordigers en bestuurders in het publieke domein
De effectiviteit van de partij wordt in de eerste plaats uitgemaakt door de vertegenwoordigers van de partij in
vertegenwoordigende lichamen en bestuurders die daaraan verantwoording schuldig zijn. In dit artikel staat een
opsomming van de onderdelen van het openbaar bestuur waarop de partij zich richt.
Tevens wordt omschreven dat van de partijgenoten die dergelijke functies bekleden verwacht mag worden dat zij de
doelen van de partij dienen, met inachtneming van hun staatsrechtelijke positie.
De positie van bestuurders is geëxpliciteerd, waarbij door middel van de formuleringen zowel door
volksvertegenwoordigingen benoemde bestuurders (wethouders, gedeputeerden, hoogheemraden) als bestuurders die op
andere wijze benoemd worden (leden van het kabinet, burgemeesters, Commissarissen van de Koningin, dijkgraven),
zijn bedoeld. Die laatste categorie is "gevangen" door te spreken over bestuurders die "het vertrouwen genieten" van de
betreffende vertegenwoordigende lichamen. Al deze bestuurders zijn indirect aan de partij gerelateerd en daardoor zijn
de bepalingen van statuten en reglementen wel degelijk op hen van toepassing. Dat is relevant voor de rechten die zij in
de partij genieten, maar ook als grondslag voor de aanvullende contributies die leden die direct of indirect een door de
partij verkregen functie in het publieke domein vervullen aan de partij verschuldigd zijn.

Artikel 15. De geldmiddelen van de partij
In het artikel over de geldmiddelen van de partij worden de contributies, de begroting en de jaarverslaggeving geregeld.

Artikel 16. Bemiddeling en toezicht
Met dit artikel wordt de grondslag gegeven voor het optreden van of namens het partijbestuur in de vereniging als dat
door het partijbestuur noodzakelijk wordt gevonden. Het partijbestuur kan maatregelen treffen of voorlopige
voorzieningen treffen, maar heeft ook het recht informatie in te winnen. Tevens zijn er situaties die vragen om
bemiddeling.

Artikel 17. Integriteit
Dit artikel regelt dat een erecode geldt voor alle leden van de partij en dat deze niet pas aan de orde is binnen het kader
van een kandidaatstelling. Daarnaast blijft het noodzakelijk om in het kader van de kandidaatstelling de kandidaten te
vragen een document te ondertekenen inzake integer optreden.
Af en toe zijn er, in concrete gevallen, kwesties over de vraag wat wel of niet door de beugel kan. Het is wenselijk
daartoe een commissie te belasten die hierover een onafhankelijk oordeel kan vellen. Dat kan gevraagd worden door
een betrokkene, maar ook door het partijbestuur of door een betrokken partijgeleding.

Artikel 18. Besluitvorming in de partij
In dit artikel worden drie kwesties geregeld die alle te maken hebben met besluitvorming in de partij. Een kapstokartikel
voor de uitgeschreven spelregels bij stemmingen over zaken en personen, waarbij in de statuten de cruciale bepaling is
opgenomen dat besluiten alleen kunnen worden genomen door aanwezige leden bij een bevoegde vergadering.
Stemmen bij volmacht en overdracht van stemmen zijn niet mogelijk.
Verder bevat het artikel een bepaling over het treffen van een voorziening door een bestuur in situaties waarin het
bevoegde orgaan niet tijdig een beslissing kan nemen. Over een dergelijke voorziening dient een bestuur zich daarna te
verantwoorden aan de bevoegde vergadering.
Tenslotte is een kapstokbepaling voor de ledenraadpleging opgenomen. Allerlei regels, zoals het aantal handtekeningen
ter ondersteuning van een kandidatuur of de te volgen procedure, worden opgenomen in de reglementen. In het
algemeen deel van de reglementen zijn de spelregels opgenomen over het houden van vergaderingen en de
besluitvorming in de partij.

Artikel 19. Geestverwante organisaties en werkverbanden binnen de partij
Vanuit de vereniging gezien, hebben de geestverwante organisaties en werkverbanden die functioneren binnen de partij,
in de eerste plaats een band met de partij via het partijbestuur. Het partijbestuur keurt de statuten en reglementen van
deze neveninstellingen en werkverbanden goed, kent deze een bijdrage toe in verband met het functioneren enz.

Artikel 20. Samenwerking in de Europese Unie
In dit artikel wordt geregeld dat en hoe de partij deelneemt aan Europese politiek.

Artikel 21. Uitwerking in reglementen
In dit artikel is geregeld hoe de reglementen gewijzigd kunnen worden en op welk moment wijzigingen van kracht
worden. Omdat het kan voorkomen dat bij de toepassing van de statuten en reglementen tegenstrijdigheid optreedt, is
bepaald dat de bepalingen van de statuten dan voorgaan op die uit de reglementen. Omdat in de praktijk van alledag
voortdurend situaties optreden waarbij afgeweken wordt van de statuten en reglementen van de partij, is een bepaling
toegevoegd dat dit niet is toegestaan. Dat betekent natuurlijk niet dat er nooit in strijd met de statuten en reglementen
geopereerd zal worden, maar op zijn minst dat als iemand daar
bezwaar tegen maakt zo´n afwijkende wijze van opereren geen doorgang kan vinden. Deze bepaling biedt ook een basis
voor partijbestuur en beroepscommissie om een oordeel te vellen over een gang van zaken in een concrete situatie die
onreglementair is.

Artikel 22. Wijziging van de statuten
In dit artikel is geregeld hoe de statuten gewijzigd kunnen worden en op welk moment gewijzigde statuten van kracht
worden.

Artikel 23. Slotbepalingen
Dit artikel kent de ontsnappingsclausule dat het partijbestuur kan optreden in situaties die niet te voorzien waren in de
statuten en reglementen. Dat betekent niet dat het partijbestuur naar willekeur kan opereren. Als de statuten en
reglementen wel houvast bieden, dan dient het partijbestuur zich daaraan te houden. Tegelijk dient het partijbestuur in
een eerstvolgende vergadering van het congres of de Verenigingsraad verantwoording af te leggen over de toepassing
van lid 1.