Statuten en huishoudelijk reglementen PvdA




Deel 1. Algemeen deel

Hoofdstuk 1.1. Bepalingen over de vergaderorde van en de besluitvorming in
alle geledingen
Artikel 1.1. Algemene bepalingen (ten aanzien van vergaderorde en besluitvorming)
1. Vergaderingen van partijgeledingen kunnen alleen worden gehouden, indien zij die toegang hebben tot die
vergadering daarvan tijdig op de hoogte zijn gesteld, met vermelding van tijd en plaats en de te behandelen
agendapunten of onderwerpen.
2. De deelnemers aan een vergadering zijn de leden die deel uitmaken van de geleding die vergadert en die in persoon
aanwezig zijn. Stemmen zijn niet overdraagbaar en stemmen bij volmacht is niet toegestaan.

Artikel 1.2. Besluiten over de orde van een vergadering
1. De agenda wordt vastgesteld door de vergadering, tenzij anders is bepaald in de reglementen. De voorzitter volgt de
agenda. De vergadering bepaalt de orde van de vergadering, met inachtneming van het bepaalde in lid 4 tot en met 8.
2. Ter vergadering kunnen agendapunten worden opgevoerd of afgevoerd. Bij het ter vergadering opvoeren van
agendapunten kunnen bij deze agendapunten alleen besluiten worden genomen als deze spoedeisend zijn. Indien het
spoedeisend karakter ontbreekt, terwijl wel besluiten voorliggen of voorgelegd kunnen worden, wordt het agendapunt
verdaagd tot een volgende vergadering of wordt een nieuwe vergadering uitgeschreven.
3. Als spoedeisende besluiten moeten worden genomen door een daartoe bevoegde vergadering, terwijl de bevoegde
vergadering redelijkerwijs niet tijdig bijeengeroepen kan worden, dan kunnen daartoe bevoegde partijgeledingen of
functionarissen een voorziening treffen of een besluit nemen. Het bestuur of de functionaris die een dergelijke
voorziening treft of een dergelijk besluit neemt, legt daarover verantwoording af aan de bevoegde vergadering.
4. Elk lid van de vergadering kan een voorstel van orde doen. De voorzitter bepaalt of een dergelijk voorstel terstond
wordt behandeld of wordt verdaagd naar een meer geschikt moment.
5. Het is niet toegestaan een voorstel van orde te doen tijdens een stemming en totdat de uitslag van de stemming is
vastgesteld door de voorzitter.
6. Voordat de beraadslaging over een agendapunt of onderwerp begint, kan de voorzitter een afhandelingsvoorstel doen.
Een dergelijk voorstel kan ook voorafgaande aan de vergadering worden gedaan. Elk lid van de vergadering kan ten
opzichte van dit afhandelingsvoorstel een amendement indienen. Over het afhandelingsvoorstel wordt besloten voordat
het agendapunt of onderwerp in behandeling wordt genomen.
7. De stemming over een voorstel van orde vindt plaats bij handopsteken. De voorzitter van een vergadering kan over
een dergelijk voorstel een schriftelijke of elektronische stemming laten plaatsvinden als de uitslag onvoldoende
duidelijk is. Ook de vergadering kan besluiten tot het houden van een schriftelijke of elektronische stemming over een
voorstel van orde.
8. Een voorstel van orde is aangenomen als meer dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen vóór het voorstel is,
waarbij de blanco stemmen niet meetellen. Als evenveel stemmen voor als tegen zijn uitgebracht, is het voorstel
verworpen. Als geen stemming wordt verlangd, wordt het voorstel van orde geacht met algemene stemmen te zijn
aangenomen.

Artikel 1.3. De voorzitter
1. Een vergadering wordt geleid door een voorzitter. Als regel is dat de voorzitter van de geleding die vergadert. Als de
voorzitter van de geleding die vergadert of een meerderheid van de vergadering dat verlangt, wordt een andere
deelnemer aan de vergadering of een daartoe uitgenodigde persoon die geen deel uitmaakt van de vergadering
aangewezen door de vergadering als voorzitter.
2. Bij vergaderingen van het congres, de Politieke Ledenraad en de Verenigingsraad treedt een lid van het presidium op
als voorzitter.
3. Indien aan de vergadering voorstellen of moties worden voorgelegd, formuleert de voorzitter de uitkomst van de
vergadering ten aanzien van deze voorstellen of moties. Deze uitkomst is van kracht, zo lang deze niet door de
bevoegde vergadering wordt herroepen of gewijzigd.
4. De voorzitter kan een vergadering te allen tijde schorsen voor korte of langere tijd, met vermelding van de reden van
de schorsing.
5. Indien de voorzitter van een vergadering verstek laat gaan of tijdens de vergadering om welke reden ook het
voorzitterschap neerlegt, voorziet de vergadering in het voorzitterschap.

Artikel 1.4. De uitnodiging voor en verslaglegging van een vergadering
1. De uitnodiging voor een vergadering en de verslaglegging gebeuren door of onder verantwoordelijkheid van de
secretaris van de partijgeleding die vergadert. De verslaglegging van een vergadering kan gebeuren in de vorm van het
vastleggen van de besluiten van de vergadering.
2. Het verslag van een vergadering wordt in een volgende vergadering vastgesteld door die vergadering.
3. Tenzij anders bepaald dient de oproeping voor een vergadering minstens 7 dagen voor de vergadering bij de leden te
zijn die worden uitgenodigd voor die vergadering. In spoedeisende gevallen kan afgeweken worden van gebruikelijke
termijnen.
4. Het aankondigen en convoceren van vergaderingen geschiedt met behulp van reguliere post of digitale post indien het
digitale adres in door het lid aan de partij is opgegeven.

Artikel 1.5. Het tellen van stemmen en het bepalen van de uitslag
1. Stemmen uitgebracht met een niet geldige stemkaart, met een niet bij de stemming geldig stembiljet, op kandidaten
die niet aan de orde zijn of waarbij de voorkeur onduidelijk of onleesbaar is weergegeven, en in het geval dat bij een
elektronische of telefonische stemming de bevoegdheid tot stemmen niet is vast te stellen, zijn ongeldig.
2. Bij het bepalen van de uitslag worden het aantal uitgebrachte stemmen vermeld, het aantal ongeldige stemmen, het
aantal blanco stemmen en het aantal stemmen dat op voorliggende mogelijkheden of kandidaten is uitgebracht. Bij het
bepalen van een uitslag van een stemming bij handopsteken kan volstaan worden met de vaststelling dat een
meerderheid voor of tegen het voorstel heeft gestemd.
3. Bij het bepalen van de uitslag worden ongeldige en blanco stemmen buiten beschouwing gelaten. Een meerderheid
van stemmen wordt dus alleen gerekend over de overige, geldig uitgebrachte stemmen.
4. De voorzitter bepaalt de uitslag van de stemming. Hij kan daarin worden bijgestaan door een commissie van
stemopneming die wordt samengesteld door de voorzitter of de vergadering. Deze commissie wijst uit zijn midden een
voorzitter aan. Indien deze commissie de uitslag opneemt, maakt de voorzitter van de commissie de uitslag bekend. Van
een commissie van stemopneming mogen geen leden deel uitmaken die zelf kandidaat zijn voor een functie waarover in
de vergadering wordt gestemd.

Artikel 1.6. Besluitvorming over zaken
1. De besluitvorming over zaken betreft de vaststelling van:
a. resoluties en programma´s;
b. procedures en plannen;
c. statuten en reglementen;
d. begrotingen en jaarverslagen;
e. moties die uitmonden in een opdracht;
f. overige besluiten van een daartoe bevoegde vergadering niet zijnde besluiten over de orde van de vergadering.
2. Een besluit kan alleen worden genomen door de geleding of de functionaris die op grond van de statuten of
reglementen bevoegd is om het besluit te nemen. Indien een geleding een voorstel behandelt als voorbereiding op de
behandeling in de bevoegde vergadering, gelden dezelfde bepalingen als bij het nemen van een besluit.
3. Voorstellen tot het nemen van een besluit worden gedaan door de geledingen die in de statuten en reglementen zijn
genoemd of deelnemers aan een vergadering, in overeenstemming met het bepaalde ten aanzien van die vergadering.
Als geen beperkende bepalingen bestaan, zijn alle leden van de geleding die vergadert bevoegd een voorstel te doen.
Voorstellen dienen tijdig gedaan te worden en bekend gemaakt te worden aan alle leden van de vergadering. Indien een
voorstel wordt gedaan staande de vergadering behoeft een voorstel alleen bekend te zijn bij de aanwezige leden van de
vergadering. Als geen beperkende bepalingen bestaan, kunnen voorstellen worden gedaan tot aan het moment waarop
de besluitvorming begint. Indien de voorzitter of de vergadering daarin bewilligt, kunnen voorstellen worden gedaan
tijdens de besluitvorming.
4. Elke daartoe bevoegde geleding of lid van een vergadering kan ten opzichte van een voorstel een amendement
indienen dat strekt tot wijziging van een voorgelegd voorstel. Deze amendementen zijn vanaf het moment van indiening
onderdeel van de besluitvorming. Amendementen die naar het oordeel van de voorzitter of de vergadering een strekking
hebben die tegengesteld is aan het voorstel of daarmee geen verband houden, zijn ontoelaatbaar. Het verwerpen van een
voorstel of van een gedeelte van een voorstel wordt niet aangemerkt als een amendement, maar staat altijd open aan de
vergadering. Op een amendement zijn de bepalingen van lid 3 van toepassing.
5. Indien de geleding of het lid dat een voorstel heeft ingediend besluit tot aanpassing van dat voorstel, dan geldt vanaf
dat moment dit aangepaste voorstel als voorstel. Het komt in de plaats van het oorspronkelijk voorstel. Indien
amendementen zijn ingediend op een onderdeel van het oorspronkelijk voorstel voordat deze is gewijzigd, dan worden
de indieners van deze amendementen door de voorzitter in de gelegenheid gesteld te beoordelen of zij hun
amendementen handhaven, wijzigen of intrekken. Indien een amendement door de indieners wordt gewijzigd, dan geldt
vanaf dat moment het gewijzigde amendement als het te behandelen amendement.
6. Het indienen, wijzigen of intrekken van een voorstel of een amendement is de verantwoordelijkheid van de eerste
ondertekenaar van een voorstel of amendement, of de afgevaardigde van de geleding die een voorstel of amendement
heeft ingediend.
7. Indien de voorzitter van een vergadering oordeelt dat de tekst van een voorstel of amendement onvoldoende helder is
voor het nemen van een besluit, kan hij de redactie aanpassen. Een dergelijke aanpassing kan alleen ongedaan gemaakt
worden als een meerderheid van de vergadering daartoe beslist.
8. Een voorzitter van een vergadering kan voorstellen of amendementen met eenzelfde strekking samenvoegen. Een
dergelijke samenvoeging kan alleen ongedaan gemaakt worden als een meerderheid van de vergadering daartoe beslist.

Artikel 1.7. De stemming over zaken
1. De stemming over zaken vindt plaats bij handopsteken. De voorzitter van een vergadering kan over zaken een
schriftelijke of elektronische stemming laten plaatsvinden. De vergadering kan bij de stemming over zaken besluiten tot
het houden van een schriftelijke of elektronische stemming.
2. Tenzij de reglementen anders aangeven, is een voorstel aangenomen als meer dan de helft van de geldig uitgebrachte
stemmen vóór het voorstel is uitgebracht, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
Als evenveel stemmen voor als tegen zijn uitgebracht, is het voorstel verworpen. Als geen stemming wordt verlangd,
wordt het voorstel geacht met algemene stemmen te zijn aangenomen.
3. Bij elk voorstel wordt eerst gestemd over de amendementen, in volgorde van verstrekkendheid. Indien een dergelijke
volgorde niet is aan te geven, bepaalt de voorzitter de volgorde van de stemming. Over elk onderdeel van een voorstel is
afzonderlijke stemming mogelijk, op aangeven van de voorzitter of op verzoek van een lid van de vergadering. Een
dergelijke stemming of een voorstel of een gedeelte daarvan gehandhaafd blijft, vindt niet eerder plaats dan nadat de
tekst is vastgesteld waarover gestemd kan worden.
4. Over elk voorstel, al dan niet gewijzigd na de besluitvorming over amendementen, vindt een (eind)stemming plaats.
Als geen stemming wordt verlangd, wordt het (eind)voorstel geacht met algemene stemmen te zijn aangenomen.

Artikel 1.8. Besluitvorming over personen
1. De besluitvorming over personen kan gaan over:
a. het kiezen van een kandidaat waarbij één functie vervuld moet worden;
b. het kiezen van kandidaten als in één stemming twee of meer functies vervuld moeten worden;
c. het vaststellen van een kandidatenlijst;
d. het opzeggen van het vertrouwen in iemand die een functie bekleedt bij het vervullen van die functie.
2. Een besluit over personen kan alleen worden genomen door een geleding die op grond van de statuten of de
reglementen bevoegd is om daarover het besluit te nemen. Indien een geleding een voorstel dat betrekking heeft op
personen behandelt als voorbereiding op de behandeling door de bevoegde vergadering, dan gelden dezelfde bepalingen
als bij het nemen van een besluit over personen.

Artikel 1.9. De stemming over personen in een vergadering
1. Indien bij de stemming over personen meer kandidaten beschikbaar zijn dan er plaatsen zijn toe te wijzen, geeft de
voorzitter van de vergadering voorafgaande aan de stemming aan welke kandidaten beschikbaar zijn.
2. De stemming over personen in een vergadering gebeurt schriftelijk of langs beveiligde elektronische weg op een
wijze waardoor het uitbrengen van een stem een vertrouwelijk karakter behoudt. De uitslag van elke stemming wordt
terstond aan de vergadering bekend gemaakt.
3. Bij de aankondiging van een stemming over personen wordt door of onder verantwoordelijkheid van de secretaris
van de bevoegde vergadering vooraf aan alle betrokkenen bekend gemaakt op welke wijze, bij wie en tot welk moment
kandidaten zich kunnen melden of gesteld kunnen worden. Tenzij anders bepaald in de reglementen, kunnen alleen
kandidaten die aan deze voorwaarden voldoen in aanmerking komen voor het vervullen van een functie of een plaats op
een kandidatenlijst. Van kandidaten die voor een functie in aanmerking komen, dient bekend te zijn dat zij bewilligen in
aanvaarding van die functie.
4. Indien over de verkiezing van een persoon in een enkelvoudige functie een geldige ledenraadpleging is gehouden,
wordt deze positie vervuld door de kandidaat die bij de ledenraadpleging is aangewezen, tenzij de bevoegde
vergadering een andere beschikbare kandidaat verkiest met een meerderheid van minstens tweederde van de geldig
uitgebrachte stemmen, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel 1.10. De verkiezing als er één positie vervuld moet worden
1. Bij het kiezen van een kandidaat als er één positie vervuld moet worden, wordt gekozen uit de kandidaten die voor
die functie beschikbaar zijn of zijn gesteld.
2. Indien twee of meer kandidaten beschikbaar zijn als er één positie vervuld moet worden, is de kandidaat gekozen die
meer dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen op zich verenigt, waarbij blanco uitgebrachte stemmen buiten
beschouwing worden gelaten. Indien twee kandidaten beschikbaar zijn en zij behalen een gelijk aantal stemmen, dan
vindt een herstemming plaats; indien dan beide kandidaten opnieuw evenveel stemmen behalen, beslist het lot.
3. Indien 3 of meer kandidaten beschikbaar zijn en geen van de kandidaten behaalt bij de stemming meer dan de helft
van de geldig uitgebrachte stemmen, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten, dan
vindt herstemming plaats tussen de twee kandidaten met de meeste stemmen. Als bij een herstemming het niet mogelijk
is twee kandidaten aan te wijzen omdat twee of meer kandidaten een gelijk aantal stemmen hebben behaald, dan worden
alle kandidaten die dat betreft toegelaten tot de herstemming.
Indien bij de herstemming de resterende kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen zodat niet
één van hen verkozen kan worden verklaard, dan vindt tussen hen een herstemming plaats. Indien deze kandidaten dan
opnieuw een gelijk aantal stemmen behalen, beslist het lot.
4. Indien er één positie vervuld moet worden, slechts één kandidaat beschikbaar is, dan is deze zonder stemming
verkozen, tenzij de vergadering besluit de kandidaatstelling te heropenen en te stemmen in een volgende vergadering.
Op een dergelijk voorstel zijn de bepalingen van toepassing die gelden voor een stemming over personen.
5. Indien er één positie vervuld moet worden geen kandidaat beschikbaar is, wordt de kandidaatstelling heropend en
wordt de stemming gehouden in een volgende vergadering.

Artikel 1.11. De verkiezing als tegelijk twee of meer posities vervuld moeten worden
1. Bij het kiezen van kandidaten als tegelijk twee of meer posities vervuld moeten worden, wordt gekozen uit de
kandidaten die voor die functies beschikbaar zijn of zijn gesteld.
2. Indien het aantal beschikbare kandidaten hoogstens het aantal te vervullen posities bedraagt, zijn de kandidaten
zonder stemming verkozen, tenzij bij één of meerdere kandidaten door de vergadering een voorstel wordt ingediend en
aangenomen waarin wordt uitgesproken dat het niet gewenst is dat deze de te vervullen positie bekleedt. Op een
dergelijk voorstel zijn de bepalingen van toepassing die gelden voor een stemming over personen.
3. Indien één of meer posities niet vervuld kunnen worden door gebrek aan kandidaten, wordt voor deze posities de
kandidaatstelling heropend en wordt over de vervulling van deze posities in een volgende vergadering gestemd.
4. Indien er meer kandidaten beschikbaar zijn dan er plaatsen zijn te vervullen, wordt in één stemming beslist over de
vervulling van alle beschikbare posities. Bij deze stemming is een stem slechts geldig als daarbij evenveel namen zijn
genoemd als er plaatsen te vervullen zijn. De kandidaten die de meeste stemmen krijgen, mits dat aantal stemmen meer
bedraagt dan de helft van het aantal uitgebrachte geldige stemmen, zijn verkozen. Indien na deze stemming er één of
meer posities resteren die nog niet vervuld zijn, vindt een herstemming plaats tussen het dubbeltal van de nog te
vervullen posities. De kandidaten die aan deze herstemming deelnemen zijn de kandidaten die in de eerste stemming de
meeste stemmen hebben gekregen, maar niet verkozen zijn. De kandidaat die in de herstemming de meeste stemmen
krijgt is verkozen.
5. Indien kandidaten in een stemming evenveel stemmen krijgen als gevolg waarvan geen winnaar is aan te wijzen,
vindt herstemming plaats tussen deze kandidaten.
6. Indien er een herstemming nodig is tussen een dubbeltal van het nog te vervullen aantal plaatsen, maar door het
behalen van een gelijk aantal stemmen van daarvoor in aanmerking komende kandidaten het niet mogelijk is precies op
dat dubbeltal uit te komen, nemen alle kandidaten die dat gelijke aantal stemmen behaalden in de eerste stemming deel
aan de tweede stemming.

Artikel 1.12. De stemming bij het vaststellen van een kandidatenlijst
1. Het vaststellen van een kandidatenlijst gebeurt aan de hand van een ontwerpkandidatenlijst die aan de bevoegde
vergadering wordt voorgelegd door het bestuur of door een onafhankelijke commissie. Bij het vaststellen van een
kandidatenlijst geschiedt de stemming plaats na plaats, te beginnen bij de eerste plaats op de lijst.
2. Indien over het lijsttrekkerschap een geldige ledenraadpleging is gehouden, wordt de eerste plaats ingenomen door de
kandidaat die bij de ledenraadpleging als beoogd lijsttrekker is aangewezen, tenzij de vergadering een andere
beschikbare kandidaat verkiest met een meerderheid van minstens tweederde van de geldig uitgebrachte stemmen,
waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
3. Voor een plaats op de kandidatenlijst zijn kandidaat diegene die op de ontwerpkandidatenlijst voor die plaats is
voorgedragen en anderen die door de stemhebbende leden van de vergadering worden voorgedragen uit de beschikbare
kandidaten. De beschikbare kandidaten zijn de kandidaten die geplaatst zijn op de ontwerpkandidatenlijst en nog niet
geplaatst zijn door de vergadering en de kandidaten die vermeld zijn op de lijst van niet geplaatste kandidaten.
4. Kandidaten kunnen zich te allen tijde, vooraf aan de vergadering en tijdens de vergadering waarin de kandidatenlijst
wordt vastgesteld, terugtrekken tot aan het moment dat zij geplaatst zijn door de vergadering. Als een kandidaat
geplaatst is op de kandidatenlijst, kan hij zich niet meer terugtrekken. Een kandidaat die zich terugtrekt, dient dit
kenbaar te maken aan de secretaris van de bevoegde vergadering of aan de voorzitter van de vergadering; als een
kandidaat zich terugtrekt, is deze niet langer beschikbaar voor de lijst.
5. Indien voor een plaats niet één of meer tegenkandidaten worden gesteld, is de op de ontwerpkandidatenlijst geplaatste
kandidaat verkozen zonder dat stemming kan worden verlangd. Als naast de voorgestelde kandidaat één of meer
kandidaten zijn voorgesteld voor een plaats, vindt een stemming plaats.
6. De kandidaat die meer dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen op zich verenigt is verkozen, waarbij de
blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
7. Indien voor een plaats op de kandidatenlijst tussen twee kandidaten gekozen wordt en zij behalen een gelijk aantal
stemmen, dan vindt een herstemming plaats. Indien beide kandidaten dan opnieuw evenveel stemmen behalen, beslist
het lot.
8. Indien voor een plaats op de kandidatenlijst tussen drie of meer kandidaten gekozen wordt en geen van de kandidaten
behaalt bij de stemming meer dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen
buiten beschouwing worden gelaten, dan vindt herstemming plaats tussen de twee kandidaten met de meeste stemmen.
De kandidaat die dan meer dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen
buiten beschouwing worden gelaten, op zich verenigt is verkozen. Indien beide kandidaten in deze herstemming een
gelijk aantal stemmen behalen, vindt een herstemming plaats tussen beide kandidaten. Als ook bij die herstemming deze
kandidaten opnieuw een gelijk aantal stemmen behalen, beslist het lot.
9. Indien bij de keuze tussen drie of meer kandidaten voor een plaats op de kandidatenlijst twee of meer kandidaten een
gelijk aantal stemmen behalen, terwijl minstens één van die kandidaten deel zou moeten uitmaken van een
herstemming, dan worden alle kandidaten die dat betreft toegelaten tot de herstemming. De kandidaat die dan meer dan
de helft van de geldig uitgebrachte stemmen, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden
gelaten, op zich verenigt is verkozen. Indien bij de herstemming kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen terwijl
geen kandidaat is verkozen of meer stemmen heeft, dan vindt tussen de kandidaten met een gelijk aantal stemmen een
herstemming plaats. Indien dan deze kandidaten opnieuw een gelijk aantal stemmen behalen, beslist het lot. Indien de
situatie optreedt dat in de herstemming tussen meer dan twee kandidaten geen kandidaat is verkozen en twee of meer
kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen, maar elk een lager aantal heeft dan de andere kandidaat, dan vindt eerst een
herstemming tussen de beide kandidaten met evenveel stemmen plaats om te bepalen welke kandidaat in een
herstemming treedt met de kandidaat met de meeste stemmen.
10. Indien een tegenkandidaat verkozen wordt verklaard, schuiven de voor de betrokken plaats op de
ontwerpkandidatenlijst voorgestelde kandidaat en de daarop volgende kandidaten op naar de eerstvolgende lagere plaats
op de ontwerpkandidatenlijst.
11. De vergadering kan voordat een kandidaat door de vergadering op een plaats is gezet een kandidaat de kandidatuur
ontnemen; hiervoor is een meerderheid van minstens tweederde van de geldig uitgebrachte stemmen vereist, waarbij de
blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten. Op een dergelijk voorstel zijn de bepalingen van
toepassing die gelden voor een stemming over personen.
12. Indien een kandidaat die op de ontwerpkandidatenlijst is geplaatst zich terugtrekt na het vaststellen van de
ontwerpkandidatenlijst en voordat hij door de bevoegde vergadering is geplaatst op de kandidatenlijst, of indien de
bevoegde vergadering een wijziging aanbrengt ten opzichte van de voorgelegde ontwerpkandidatenlijst, is het aan het
bestuur of de onafhankelijke kandidaatstellingcommissie die de ontwerpkandidatenlijst aan de vergadering heeft
voorgelegd toegestaan wijziging aan te brengen in de ontwerpkandidatenlijst, met dien verstande dat de reeds door de
vergadering geplaatste kandidaten geen andere plaats meer toegekend kunnen krijgen.
13. Indien een kandidaat die geplaatst is op de ontwerpkandidatenlijst zich terugtrekt vóór de vergadering waarop de
kandidatenlijst wordt vastgesteld, is het aan het bestuur of de onafhankelijke kandidaatstellingscommissie die de
ontwerpkandidatenlijst voorlegt aan de vergadering toegestaan een andere kandidaat voor te stellen die tot dat moment
niet beschikbaar was. Voordat in dat geval de ontwerpkandidatenlijst in behandeling wordt genomen, dient de
vergadering in te stemmen met de beschikbaarheid van een dergelijke kandidaat.
14. De vergadering bepaalt de lengte van de kandidatenlijst, binnen de door de wet gestelde voorwaarden.

Artikel 1.13. Het opzeggen van vertrouwen in een persoon in de functie die hij bekleedt
1. De bevoegde vergadering kan het vertrouwen opzeggen in een lid dat een functie bekleedt waarin hij door die
vergadering is geplaatst, voor zover dat gaat over het vervullen van die functie. Een voorstel met die strekking dient op
schrift te worden ingediend en vermeldt zowel de naam als de functie van betrokkene. Op een dergelijk voorstel zijn de
bepalingen van toepassing die gelden voor een stemming over personen.
2. Indien een uitspraak als bedoeld in lid 1 openstaat voor beroep en dat beroep wordt ook binnen de voorgeschreven
termijn ingesteld, dan dient eerst de uitspraak in beroep te worden afgewacht voordat de betrokkene terugtreedt. Het
partijbestuur kan evenwel maatregelen nemen, ook ten aanzien van betrokkene, die een werkbare situatie bevorderen.
3. Indien op grond van de reglementen geen beroep mogelijk is op de uitspraak als bedoeld in lid 1 of de betrokkene die
wel recht van beroep heeft, stelt dat beroep niet in, dan legt het lid waartegen een dergelijke uitspraak is aangenomen
zijn functie terstond neer.

Artikel 1.14. Besluitvorming over moties die uitmonden in een gevoelen of een verzoek
1. Tenzij anders is bepaald in de reglementen, kan een lid van de vergadering op elk moment een motie indienen waarin
een gevoelen wordt verwoord of een verzoek wordt gericht aan een fractie, een afgevaardigde, een functionaris of
geleding van de partij. Een motie kan ingediend worden voorafgaande aan of tijdens de vergadering door een lid van die
vergadering of door een geleding die in die vergadering is vertegenwoordigd.
2. Over een motie wordt gestemd bij handopsteken. De voorzitter van een vergadering kan over een motie een
schriftelijke of elektronische stemming laten plaatsvinden. De vergadering kan besluiten tot het houden van een
schriftelijke of elektronische stemming over een motie.
3. Een motie als bedoeld in lid 1 kan niet worden geamendeerd. Het indienen, wijzigen of intrekken van een motie is de
verantwoordelijkheid van de eerste ondertekenaar van een motie of de afgevaardigde van de geleding die een dergelijke
motie heeft voorgesteld.
4. Indien de voorzitter van een vergadering oordeelt dat de tekst van een motie onvoldoende helder is voor het
uitspreken van een gevoelen of het doen van een verzoek, kan hij de redactie aanpassen. Een dergelijke aanpassing kan
alleen ongedaan gemaakt als een meerderheid van de vergadering daartoe beslist.
5. Een voorzitter van een vergadering kan moties met eenzelfde strekking samenvoegen. Een dergelijke samenvoeging
kan alleen ongedaan gemaakt als een meerderheid van de vergadering daartoe beslist.
6. Tenzij de reglementen anders beslissen, is een motie aangenomen als meer dan de helft van de geldig uitgebrachte
stemmen vóór het voorstel is, waarbij de blanco uitgebrachte stemmen buiten beschouwing worden gelaten. Als
evenveel stemmen voor als tegen zijn uitgebracht, is de motie verworpen. Als geen stemming wordt verlangd, wordt de
motie geacht met algemene stemmen te zijn aangenomen.
7. Indien moties over hetzelfde onderwerp in stemming worden gebracht, gebeurt dat in volgorde van verstrekkendheid.
Indien een dergelijke volgorde niet is aan te geven, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin de moties in stemming
worden gebracht.

Hoofdstuk 1.2. De ledenraadpleging
Artikel 1.15. Algemene bepalingen inzake een ledenraadpleging
1. Bij een ledenraadpleging worden alle leden die stemgerechtigd zijn voor een tijdig bekend gemaakt uiterste moment
in de gelegenheid gesteld via een schriftelijke, telefonische of elektronische stem deel te nemen aan de besluitvorming.
2. Een ledenraadpleging wordt gehouden over de keuze van een lijsttrekker bij de verkiezingen van de Tweede Kamer,
van de Eerste Kamer en bij de verkiezing van het Europees Parlement, alsmede over de keuze van de voorzitter van de
partij. Een dergelijke ledenraadpleging kan alleen worden gehouden als minstens twee geschikte kandidaten
beschikbaar zijn om uit te kiezen, die elk voldoende worden ondersteund. Als dat niet het geval is vervalt de
ledenraadpleging.
3. Een ledenraadpleging over personen kan alleen worden gehouden over de vervulling van een voorzitter van een
geleding of een lijsttrekker, mits de vergadering die bevoegd is om de betreffende functie te vervullen tijdig en vooraf
heeft besloten over de vervulling van deze functie een ledenraadpleging te houden. Een dergelijke uitgeschreven
ledenraadpleging kan vervolgens alleen worden gehouden als minstens twee geschikte kandidaten beschikbaar zijn om
uit te kiezen, die elk voldoende worden ondersteund. Als dat niet het geval is, vervalt de voorgenomen
ledenraadpleging.
4. Indien het een ledenraadpleging betreft over de lijsttrekker, dan wordt een dergelijke ledenraadpleging op een
zodanig tijdstip gehouden dat degene die op grond van de uitslag als beoogd lijsttrekker wordt aangemerkt in de
gelegenheid is om advies uit te brengen bij het opstellen van het ontwerpverkiezingsprogramma en de
ontwerpkandidatenlijst.
5. Een ledenraadpleging over een zaak kan worden gehouden als de vergadering die bevoegd is om over dat onderwerp
een beslissing te nemen daartoe besluit of als het bestuur dat verantwoording schuldig is aan die vergadering tot een
ledenraadpleging besluit.
6. Een leden- raadpleging over een zaak wordt gehouden als dit wordt verzocht bij het betrokken bestuur door:
a. minstens 10% van het aantal leden bij een ledenraadpleging onder alle leden van de partij of minstens 10% van
de leden van de geleding als een ledenraadpleging in en door die geleding wordt gehouden;
b. in het geval dat een ledenraadpleging onder alle leden van de partij wordt gehouden door afdelingen die samen
minstens 10% van het aantal leden van de partij tellen, of als bij een ledenraadpleging in een gewest door afdelingen
die samen minstens 10% van het aantal leden van het gewest tellen met een minimum van 3 afdelingen binnen het
gewest;
c. in het geval dat een ledenraadpleging wordt gehouden in een afdeling die meer dan 500 leden telt, volstaat in
afwijking van het gestelde onder a, een minimum van 50 leden.
7. Een ledenraadpleging over een zaak vraagt een keuze tussen twee of meer uitvoerbare uitkomsten met een
vraagstelling die door het bestuur van de geleding waarin de ledenraadpleging wordt gehouden is vastgesteld.

Artikel 1.16. Uitsluiting van ledenraadpleging
1. Geen ledenraadpleging kan worden gehouden over andere functies dan die van lijsttrekker of voorzitter.
2. Geen ledenraadpleging kan worden gehouden over de statuten en de reglementen, over beslissingen over personen
anders dan bedoeld in het eerste lid, over de begroting en financiële aangelegenheden, over meervoudige
aangelegenheden zoals programma´s, over de rechtspositie van medewerkers van de partij en bezoldigde bestuurders,
over de deelname aan een dagelijks bestuur of het kabinet, over uitspraken van de beroepscommissie en over zaken
waarin de statuten of reglementen reeds voorzien.
3. Geen ledenraadpleging over een zaak kan worden gehouden als over deze aangelegenheid door de bevoegde
vergadering minder dan twee jaar daarvoor een beslissing is genomen, tenzij het een voornemen betreft van een fractie
om af te wijken van een standpunt in het verkiezingsprogramma, voor zover dat niet via een coalitieakkoord is
bevestigd of gewijzigd.

Artikel 1.17. De deelname van kandidaten aan een ledenraadpleging
1. De geschiktheid van kandidaten voor de functie waarvoor een ledenraadpleging wordt gehouden, wordt beoordeeld
door het bestuur van de bevoegde geleding of een door de bevoegde vergadering ingestelde onafhankelijke
kandidaatstellingscommissie, aan de hand van de profielschets en zonder acht te slaan op de standpunten van de
kandidaat over de politieke of organisatorische koers en het programma van de partij. Op een dergelijke beoordeling
van een kandidaat zijn de bepalingen van toepassing in de reglementen van de partij over de kandidaatstelling.
2. Een kandidaat kan alleen deelnemen aan een ledenraadpleging, indien zijn kandidatuur is ondersteund door leden van
de partij die deel uitmaken van de geleding die de ledenraadpleging organiseert. Het aantal leden dat een kandidaat
dient te ondersteunen is geregeld in de reglementen over de kandidaatstelling. Daarin worden ook geregeld op welke
wijze en binnen welke termijn deze ondersteuning moet blijken. De controle op de ondersteuning wordt uitgevoerd door
of namens het bestuur van de bevoegde geleding.

Artikel 1.18. De uitslag en de geldigheid van een ledenraadpleging
1. Indien een ledenraadpleging wordt gehouden met 3 of meer kandidaten wordt de uitslag bepaald door middel van een
stemming waarbij de deelnemende leden een voorkeursvolgorde aangeven.
2. Bij een dergelijke stemming dienen de deelnemende leden alle beschikbare kandidaten te plaatsen in een door het lid
gewenste volgorde. Stemmen waarbij niet alle beschikbare kandidaten zijn geplaatst zijn ongeldig. In afwijking van
artikel 1.5. lid 3 zijn bij een ledenraadpleging blanco stemmen ongeldige stemmen die echter wel meetellen voor het
bepalen van de deelname aan de ledenraadpleging als bedoeld in de leden 5 en 6, en daarom apart worden geteld en
vermeld.
3. Bij het bepalen van de uitslag wordt eerst geteld hoeveel stemmen van eerste voorkeur elke kandidaat op zich heeft
verenigd. Indien een kandidaat daarbij een meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen op zich heeft verenigd, is
hij verkozen. Indien geen van de kandidaten bij het opmaken van de uitslag een meerderheid van de geldig uitgebrachte
stemmen van eerste voorkeur op zich heeft verenigd, valt de kandidaat met de minste stemmen af. Voor de geldig
uitgebrachte stemmen waarbij de voorkeurskandidaat afvalt, treedt de tweede voorkeur in de plaats van de eerste
voorkeur. Indien een kandidaat in deze nieuwe situatie een meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen op zich
heeft verenigd, is hij verkozen. Indien geen van de kandidaten bij het opmaken van deze volgende uitslag een
meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen op zich heeft verenigd, valt de kandidaat die dan de minste stemmen
op zich heeft verenigt af. In dat laatste geval wordt bij de stemmen op de afgevallen kandidaat de eerstvolgende
voorkeur geteld bij het bepalen van de uitslag in een volgende ronde enzovoort, totdat in een ronde een kandidaat een
meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen op zich verenigt. Indien zich op enig moment een situatie voordoet dat
twee of meer kandidaten even veel stemmen op zich verenigen, terwijl slechts één van deze kandidaten moet afvallen,
dan beslist het lot.
4. Indien bij een ledenraadpleging over een zakelijke kwestie uit drie of meer uitkomsten kan worden gekozen, dan
gelden de leden 1 tot en met 3, met dien verstande dat in plaats van "kandidaten" gelezen moet worden "voorgelegde
uitkomsten".
5. Onmiddellijk na het sluiten van de ledenraadpleging op landelijk niveau wordt de telling verricht door het presidium
of door een door het presidium samengesteld stembureau. De uitslag bij een andere geleding wordt vastgesteld door een
stembureau dat door het bestuur van de geleding dat de ledenraadpleging organiseert, is ingesteld. Deze uitslag is
openbaar en bevat in ieder geval het aantal leden dat gerechtigd was deel te nemen aan de ledenraadpleging, het aantal
uitgebrachte stemmen, het aantal ongeldige stemmen, het aantal blanco stemmen en het aantal stemmen dat, eventueel
in een aantal ronden, op elke kandidaat of op de voorgelegde keuzen is uitgebracht. Bij de bepaling van de geldigheid
van de uitslag worden de ongeldig uitgebrachte stemmen buiten beschouwing gelaten, maar tellen de blanco stemmen
wel mee. Bij het bepalen van de uitslag blijven de ongeldig uitgebrachte stemmen en de blanco stemmen buiten
beschouwing.
Bij de bepaling van de uitslag zijn zo veel mogelijk de regels van toepassing van artikel 1.5.
6. De uitslag van een ledenraadpleging heeft geen betekenis als de som van het aantal geldig uitgebrachte stemmen en
uitgebrachte blanco stemmen lager is dan 15% van het aantal leden dat gerechtigd was om deel te nemen aan de
ledenraadpleging.
7. De uitslag van een ledenraadpleging over een zaak geldt als ware het de beslissing van de bevoegde vergadering.
8. Een lid kan binnen 3 dagen na de vaststelling van de uitslag van een ledenraadpleging bezwaar maken bij de
beroepscommissie tegen onregelmatigheden bij de ledenraadpleging. De beroepscommissie neemt zo spoedig mogelijk
een beslissing. Als het bezwaar gegrond wordt verklaard, neemt het (partij-)bestuur onverwijld een beslissing over het
gevolg ervan voor de uitslag van de ledenraadpleging, met inachtneming van eventuele aanwijzingen van de zijde van
de beroepscommissie.

Hoofdstuk 1.3. Het lidmaatschap
Artikel 1.19. Het verkrijgen van het lidmaatschap
1. Iemand die tot de partij wil toetreden, meldt zich aan bij het partijbestuur.
2. Indien door een lid van het partijbestuur of – binnen 30 dagen na toezending van de mededeling van aanmelding –
door het bestuur van de afdeling bij welke degene die tot de partij wil toetreden zal worden ingedeeld bezwaar wordt
aangetekend, neemt het partijbestuur binnen 60 dagen na aanmelding een beslissing. Indien geen bezwaar wordt
aangetekend, is het lid vanaf het moment dat dit vaststaat toegelaten. Indien wel bezwaar is aangetekend, maar het
partijbestuur neemt niet tijdig een beslissing, dan geldt de betrokkene als toegelaten.
3. De betrokkene wordt terstond op de hoogte gesteld van de beslissing van het partijbestuur. Aan een nieuw toegelaten
lid wordt meegedeeld in welke afdeling van de partij hij is ingedeeld. Tevens wordt hem meegedeeld dat hij zijn
ledenrechten niet eerder kan uitoefenen dan nadat de eerste contributiebetaling door het partijbestuur is ontvangen en
deze ontvangst door het partijbestuur is bevestigd. De betrokken afdeling wordt terstond op de hoogte gesteld van deze
definitieve toelating als lid. Tevens wordt het aanstaande lid op de hoogte gesteld van de bepaling in artikel 17, lid 1
van de statuten en de inhoud van artikel 1.28.
4. Indien het partijbestuur iemand het lidmaatschap weigert, wordt de motivering van deze weigering aan de betrokkene
schriftelijk overgebracht.

Artikel 1.20. Het verkrijgen van de ledenrechten
1. Een nieuw toegelaten lid verkrijgt actieve en passieve ledenrechten vanaf het moment dat hij door het partijbestuur is
toegelaten en zijn eerste contributiebetaling in het bezit van het partijbestuur is. Het nieuwe lid moet deze
contributiebetaling zelf hebben gedaan of daartoe persoonlijk opdracht voor hebben gegeven. Het nieuwe lid en de
secretaris van de afdeling waarbij hij is ingedeeld worden ervan op de hoogte gesteld dat hij de ledenrechten kan
uitoefenen.
2. Het moment waarop in een kandidaatstellingsprocedure de ledenrechten verkregen moeten zijn, is de vaststelling van
de ontwerpkandidatenlijst door het bestuur of de onafhankelijke kandidaatstellingscommissie die daartoe is ingesteld.
3. Op verzoek van een lid op grond van zwaarwichtige redenen, of als een lid in het buitenland is gevestigd, kan het
partijbestuur besluiten een lid niet in te delen bij een afdeling van de partij. Een dergelijk lid heeft zo veel mogelijk
dezelfde ledenrechten als leden die wel tot een afdeling behoren. Dergelijke leden heten algemene leden.

Artikel 1.21. Plaatsing op een kandidatenlijst
1. Om geplaatst te worden op een kandidatenlijst die door de partij wordt ingediend, dan wel namens de partij op een
kandidatenlijst van een gemeenschappelijke kandidatenlijst, dient betrokkene lid te zijn van de partij.
2. In bijzondere omstandigheden kan het partijbestuur dispensatie toekennen om iemand op een kandidatenlijst te
plaatsen die geen lid is van de partij of om aannemelijke redenen niet tijdig lid kon zijn van de partij. Een dergelijke
dispensatie dient te zijn toegekend voorafgaande aan de vergadering waarin de kandidatenlijst wordt vastgesteld en de
vergadering die de kandidatenlijst vaststelt dient vooraf aan die vaststelling geïnformeerd te worden over een dergelijke
dispensatie en de redenen daarvoor. Tegen het niet geven van dispensatie is geen beroep mogelijk.
3. Een verzoek om dispensatie als bedoeld in lid 2 kan worden gedaan door of namens het bestuur of onafhankelijke
kandidaatstellingscommissie die een ontwerpkandidatenlijst opstelt.
Hoofdstuk 1.4. Bemiddeling, toezicht en beroep

Artikel 1.22. Bemiddeling en toezicht
1. Maatregelen als bedoeld in artikel 16 van de statuten worden genomen door het partijbestuur. Schriftelijke verzoeken
kunnen worden ingediend door de bevoegde vergadering van een geleding van de partij, het bestuur van die geleding of
een betrokken fractie van de partij. Maatregelen kunnen worden genomen op eigen initiatief van het partijbestuur.
2. Het partijbestuur laat verzoekers na ontvangst van het verzoek onverwijld weten in hoeverre het op het verzoek wil
ingaan. Het kan desgewenst voorlopige voorzieningen treffen. Een afwijzing van het verzoek wordt met redenen
omkleed.
3. Een verzoek wordt slechts in behandeling genomen als het voldoet aan tenminste de volgende drie
zorgvuldigheidseisen:
a. het omschrijft welke statutaire of reglementaire bepaling danwel welk besluit of belang van de partij wordt aangetast
of bedreigd, en op welke feiten en omstandigheden het verzoek gebaseerd is;
b. het deelt mee in hoeverre het betrokken lid of orgaan in de gelegenheid is gesteld zich te rechtvaardigen en hoe van
deze gelegenheid gebruik is gemaakt;
c. het omschrijft welke maatregelen naar het oordeel van de verzoekers genomen dienen te worden.
4. In geval de beoogde maatregel het royement dan wel het terugroepen van een volksvertegenwoordiger uit één of
meer van zijn of haar functies is, neemt het partijbestuur zijn beslissing op advies van een commissie van goede
diensten.
5. Deze commissie van goede diensten bestaat uit drie leden, waarvan: één lid aan te wijzen door het in het geding
zijnde partijlid, één lid aan te wijzen door de partijgeleding die de zaak aanhangig heeft gemaakt, en één lid door de
twee voornoemde leden gezamenlijk.
6. Indien tegelijkertijd verzoeken worden gedaan met betrekking tot meer dan één lid in dezelfde kwestie, dan bestaat
de mogelijkheid om de bemiddeling op te dragen aan één commissie van goede diensten die elk van de verzoeken
behandelt. In dat geval mogen de in het geding zijnde leden voor de commissie als bedoeld in lid 5 te samen één lid
aanwijzen.
7. De leden van de commissie van goede diensten dienen lid te zijn van de partij. De commissie van goede diensten
regelt haar eigen werkzaamheden en hoort alle betrokkenen. Zij brengt binnen 60 dagen advies uit aan het partijbestuur.
8. Het partijbestuur neemt een besluit tot maatregelen als bedoeld in lid 1 zo mogelijk binnen 30 dagen nadat het advies
als bedoeld in lid 7 is ontvangen. Als de commissie van goede diensten te kennen geeft geen advies te kunnen
uitbrengen of als zij niet binnen 60 dagen een advies uitbrengt, dan neemt het partijbestuur zo mogelijk binnen 30 dagen
daarna een besluit tot maatregelen als bedoeld in lid 1.
9. Het partijbestuur deelt maatregelen als bedoeld in lid 1 schriftelijk en met redenen omkleed aan alle belanghebbenden
mee.
10. Maatregelen van tijdelijke aard hebben een werkingsduur van hoogstens 6 maanden, met dien verstande dat de
termijn die aan een maatregel van tijdelijke aard is verbonden kan worden aangepast door naderhand genomen
rechtsgeldige besluiten.
11. Het partijbestuur ziet toe op de gelijke informatieverstrekking in het kader van procedures met betrekking tot
bemiddeling en toezicht aan zowel het in geding zijnde partijlid als aan de partijgeleding die de zaak aanhangig heeft
gemaakt. Tegen een besluit van het partijbestuur staat binnen 30 dagen beroep open bij de beroepscommissie.
12. In geval de maatregel het terugroepen van een volksvertegenwoordiger uit één of meer van zijn functies is, wordt de
betrokkene conform de gedragscode en interne bereidverklaring gevraagd zijn zetel ter beschikking te stellen aan de
partij. Indien betrokkene 30 dagen na terugroeping hieraan geen gehoor heeft gegeven, volgt royement. Tegen een
dergelijk royement staat geen beroep open.

Artikel 1.23. Het beroep
1. De beroepscommissie doet uiterlijk 60 dagen na dagtekening van een beroep een voor alle betrokkenen bindende
uitspraak, tenzij anders bepaald in de reglementen.
2. Ten behoeve van het uitbrengen van een uitspraak heeft de beroepscommissie gelegenheid gegeven tot hoor en
wederhoor. Indien het een beroep betreft in het kader van een kandidaatstelling, beoordeelt de beroepscommissie de
wenselijkheid van hoor en wederhoor, met dien verstande dat dit geen vertragende werking mag hebben op het doen
van een uitspraak.
3. Een beroep heeft opschortende werking, behoudens voor maatregelen die zijn bedoeld als voorlopige voorziening.
Een dergelijke voorlopige voorziening mag de terugkeer tot de oorspronkelijke situatie niet blokkeren.
4. De beroepscommissie deelt per aangetekende brief haar beslissing aan de betrokkene(n) mee en stelt het partijbestuur
van deze beslissing op de hoogte.

Artikel 1.24. De beroepscommissie
1. De beroepscommissie telt 5 leden. Telkens zijn 2 of 3 leden per twee jaar aftredend. De beroepscommissie stelt een
rooster van aftreden vast. Als door tussentijds defungeren een lid de termijn niet volmaakt, wordt na een volgende
verkiezing van leden door het congres een nieuw rooster van aftreden vastgesteld, waarbij de laatst genomen beslissing
over het rooster van aftreden gerespecteerd wordt.
2. Indien door tussentijds aftreden het aantal leden van de beroepscommissie minder dan 3 bedraagt, voorziet het
partijbestuur in een tijdelijke vervulling van één of meer vacatures. Deze tijdelijke leden zijn aftredend als het congres
leden van de beroepscommissie kiest.
3. De beroepscommissie kiest uit haar midden een voorzitter en een vicevoorzitter.
4. De beroepscommissie regelt zelf haar werkzaamheden.
5. Het partijbestuur draagt zorg voor de ondersteuning van de beroepscommissie.
6. De uitspraken van de beroepscommissie zijn openbaar, tenzij anders bepaald in de reglementen.

Hoofdstuk 1.5. De geldmiddelen en de contributies
Artikel 1.25. De contributies
1. Het partijbestuur regelt de tarieven en de inning van de contributies en donaties. Deze regeling is openbaar en wordt
voldoende bekend gemaakt. Het partijbestuur zorgt dat leden van de partij die het aangaat van deze regeling en
wijzigingen daarvan op de hoogte worden gesteld.
2. De partij kent algemene contributies die alle leden verschuldigd zijn en aanvullende contributies die de leden
verschuldigd zijn die een functie in het openbaar bestuur bekleden die direct of indirect voortvloeit uit het lidmaatschap
van de partij.
3. Het partijbestuur stelt een lijst vast van functies waarbij leden die deze functies bekleden aanvullende contributies
aan de partij schuldig zijn, gehoord de Verenigingsraad en het bestuur van het Centrum voor Lokaal Bestuur.
4. De algemene en aanvullende contributies worden door of namens het partijbestuur geïnd en de inkomsten hiervan
worden verantwoord in de jaarrekening van de partij.
5. De besturen van afdelingen en gewesten kunnen naast de aanvullende contributies als bedoeld in lid 2 specifieke
contributies vaststellen voor leden die namens de partij deelnemen aan de fractie die verbonden is aan die geleding,
alsmede voor de dagelijkse bestuurders die op voordracht van deze fractie benoemd zijn. Dergelijke specifieke
contributies worden door of namens het betreffende bestuur geïnd en de inkomsten hiervan worden verantwoord in de
jaarrekening van het betreffende bestuur. De inkomsten uit specifieke contributies zijn bestemd voor het voeren van
campagne, tenzij anders wordt besloten door de bevoegde vergadering.
6. Het partijbestuur kan een richtlijn geven ten aanzien van de hoogte en de bestemming van de in lid 5 bedoelde
specifieke contributies.

Artikel 1.26. De geldmiddelen en de controle
1. Het partijbestuur stelt jaarlijks – na instemming van de Verenigingsraad – de afdracht vast aan afdelingen en
gewesten. Deze afdracht wordt betaalbaar gesteld nadat door een afdeling of gewest een begroting is ingediend.
2. De partij heeft een spaarfonds voor de verkiezingen. De middelen daarin worden verkregen uit een door het
partijbestuur vast te stellen bedrag uit de opbrengst uit de aanvullende contributies, alsmede uit vrijwillige bijdragen,
schenkingen en andere inkomsten.
3. Het partijbestuur stelt regels met betrekking tot het onttrekken van gelden aan het in lid 2 genoemde fonds.
4. Geledingen van de partij waaraan via een afdracht of bijdrage door het partijbestuur middelen zijn toegekend zijn
autonoom in de besteding van deze middelen, binnen richtlijnen die het partijbestuur, gehoord de Verenigingsraad,
daarover uitvaardigt.

Artikel 1.27. Overige bepalingen inzake de geldmiddelen
1. Indien door geledingen van de partij rechtspersonen worden opgericht of in stand gehouden, die geheel of ten dele
inkomsten kennen van of op grond van regels van de partij, dan behoeft deze rechtspersoon de goedkeuring van het
partijbestuur.
2. Bij rechtspersonen als bedoeld in lid 1 is het bestuur van de geleding die deze rechtspersoon heeft ingesteld of wil
instellen er aan gehouden om in de jaarverantwoording de verantwoording op te nemen met betrekking tot in ieder
geval het beheer en de besteding van de inkomsten van die rechtspersoon die van de partij afkomstig zijn of voortkomen
uit regels van de partij.

Hoofdstuk 1.6. Integriteit
Artikel 1.28. De erecode en de verklaring bij de kandidaatstelling
1. Van de leden van de partij wordt verwacht dat hun optreden en opstelling in het publieke domein in
overeenstemming is met de normen en waarden die de partij verlangt van iedereen in het publieke domein. Als houvast
dient daarbij de "erecode". Deze erecode wordt vastgesteld en gewijzigd door het partijbestuur, gehoord de
Verenigingsraad.
2. Aanvullend hierop wordt van leden die direct of indirect een functie bekleden namens de partij en zij die een functie
bekleden binnen de partij verwacht dat zij het belang van de publieke zaak en van de partij stellen boven hun
persoonlijke belang.
3. In verband met het gestelde in lid 2 wordt aan kandidaten voor een vertegenwoordigende functie een door hen te
ondertekenen verklaring voorgelegd. Als een kandidaat deze verklaring niet wil onderschrijven, kan hij geen kandidaat
zijn voor een vertegenwoordigende functie namens de partij.
4. De tekst van de in lid 3 bedoelde verklaring en wijzigingen daarin worden vastgesteld door het partijbestuur, gehoord
de Verenigingsraad en het bestuur van het Centrum voor Lokaal Bestuur.

Artikel 1.29. De Commissie Integriteit
1. De commissie telt 3 leden.
2. De commissie kiest uit haar midden een voorzitter en een vicevoorzitter.
3. De commissie regelt zelf haar werkzaamheden.
4. Het partijbestuur draagt zorg voor de ondersteuning van de commissie.
5. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij zijn eenmaal herbenoembaar na het
vervullen van een volle periode. Het partijbestuur stelt een rooster van aftreden vast, zodat elke twee jaar (ongeveer) de
helft van de commissie aftredend is.

Artikel 1.30. Persoonsgegevens en privacy
1. Het partijbestuur draagt zorg voor een protocol en het handhaven daarvan met betrekking tot het verzamelen,
bewaren en verwijderen van persoonsgevoelige informatie bij en onder verantwoordelijkheid van alle geledingen van de
partij.
2. Elk lid van de partij heeft toegang tot de informatie die over hem bewaard wordt bij of onder verantwoordelijkheid
van een geleding van de partij.

Hoofdstuk 1.7. Overige bepalingen
Artikel 1.31. De binding aan het verkiezingsprogramma
1. Een lid van een fractie in een vertegenwoordigend lichaam is gebonden aan het desbetreffende
verkiezingsprogramma, tenzij hij schriftelijk een zwaarwegend persoonlijk voorbehoud heeft kenbaar gemaakt vóór de
vaststelling van de kandidatenlijst.
2. De in lid 1 bedoelde binding wordt opgeheven, wanneer het afleggen van verantwoording over een afwijking van het
verkiezingsprogramma niet leidt tot het opzeggen van het vertrouwen in het betrokken fractielid als bedoeld in artikel
1.13.
3. Indien de fractie waarvan het lid deel uitmaakt met andere fracties een akkoord heeft gesloten tot vorming van een
kabinet of college, dan gaat dat akkoord voor het verkiezingsprogramma, voor zover het akkoord afwijkt van het
verkiezingsprogramma, maar geldt het verkiezingsprogramma voor zover het akkoord zich niet over de betreffende
punten uitspreekt, voor het handelen van de betrokken partijleden en partijgeledingen.
4. Een lid van een fractie die een akkoord als bedoeld in lid 3 is overeengekomen is gebonden aan het desbetreffende
akkoord. Een lid van de fractie kan een zwaarwegend persoonlijk voorbehoud kenbaar maken aan de fractie vooraf aan
of bij het sluiten van het akkoord. Van een dergelijk voorbehoud wordt het bestuur van de betrokken geleding op de
hoogte gebracht. Een en ander geldt ook voor een lid van de fractie dat op een later moment door opvolging deel gaat
uitmaken van de fractie.

Artikel 1.32. Evenwichtige vertegenwoordiging
1. Overal waar in de partij besturen, afvaardigingen en dergelijke worden gekozen of kandidatenlijsten voor
vertegenwoordigende lichamen worden vastgesteld, wordt gestreefd naar een gelijke vertegenwoordiging qua sekse en
naar een evenwichtige spreiding qua leeftijd, regio en diversiteit.
2. De verantwoordelijke besturen voeren hiervoor een actief beleid en leggen daarover verantwoording af aan de leden.

Artikel 1.33. De zittingsduur
1. Tenzij in de statuten of reglementen van de partij anders is bepaald, kan de zittingsduur van een lid in een functie in
of namens de partij niet worden begrensd.
2. Indien iemand een functie in of namens de partij gedurende 12 jaar of langer heeft vervuld, dienen zwaarwegende
redenen aanwezig te zijn om voor een volgende periode in die functie in aanmerking te komen.

Artikel 1.34. De jongerenorganisatie
De jongerenorganisatie dient tweejaarlijks een verslag van haar werkzaamheden in bij het partijbestuur. Dit verslag
wordt gelijktijdig met het tweejaarlijkse verslag van het partijbestuur ter kennis gebracht van het congres.

Artikel 1.35. Leden in dienstverband bij de partij
1. Leden van de partij die als medewerker in loondienst zijn van de partij of van een neveninstelling, danwel als
medewerker van de Tweede Kamerfractie, de Eerste Kamerfractie of de delegatie in het Europees Parlement kunnen
geen lid zijn van het partijbestuur, van de beroepscommissie, van het presidium of van de Verenigingsraad.
2. Indien een afdeling of een gemeenteraadsfractie direct of via een stichting medewerkers in loondienst heeft, dan
kunnen deze medewerkers geen deel uitmaken van de gemeenteraadsfractie en van het afdelingsbestuur.
3. Indien een gewest, een Statenfractie of een waterschapsfractie direct of via een stichting medewerkers in loondienst
heeft, dan kunnen deze medewerkers geen deel uitmaken van de Statenfractie en van het gewestelijk bestuur.
4. Ten aanzien van het gestelde in lid 2 en 3 kan een geleding aan het partijbestuur een gemotiveerd verzoek richten om
in een concreet geval dispensatie te verlenen. Het partijbestuur kan deze dispensatie verlenen, met aangeven van de
termijn waarvoor deze dispensatie geldt.
5. De bepalingen uit dit artikel betreffen ook leden die op grond van een zakelijke relatie met de partij gelijk te stellen
zijn aan leden die een dienstbetrekking vervullen bij de partij.

Toelichting op de reglementen, deel 1.
Algemeen deel
1. Algemene opmerkingen
De reglementen bestaan uit een aantal delen, waarbij de meeste delen bedoeld zijn om, in aanvulling op de statuten van
de partij, de gang van zaken in bepaalde geledingen (zoals afdelingen of gewesten) of bij belangrijke processen (zoals
de deelname aan gemeenteraadsverkiezingen) samenhangend te beschrijven. Deel 1, het algemeen deel, bestaat uit een
aantal zaken die een algemene grondslag leggen onder de specifieke delen en uit resterende onderwerpen die niet
logisch thuishoren in de andere delen.
De kern van het algemeen deel wordt uitgemaakt door de regels voor het vergaderen in de partij: de orde van de
vergadering en de besluitvorming.
In het algemeen deel van de reglementen zijn verder bepalingen opgenomen over:
- de ledenraadpleging;
- het lidmaatschap;
- bemiddeling, toezicht en beroep;
- de geldmiddelen en contributies;
- integriteit;
- overige bepalingen.

2. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1